Pinholes zijn speldenprikjes in het oppervlak, ontstaan doordat lucht uit de ondergrond door de nog natte laag naar boven ontsnapt. Het gaatje sluit zich niet meer omdat de hars op dat moment al te stroperig is.
De ondergrond ademt
Beton en dekvloer zitten vol met poriën en die poriën zitten vol lucht. Zolang de temperatuur stabiel is gebeurt er niets. Warmt de ondergrond op, dan zet de lucht uit en moet hij ergens heen. Zit er op dat moment een verse laag overheen, dan gaat hij daar dwars doorheen.
Dat is ook de reden dat pinholes vaak in banen of vlekken zitten en niet gelijkmatig: precies daar waar de zon op de vloer kwam of waar een verwarming aansloeg.

De drie maatregelen die werken
Poriën dichtzetten. Een primer die goed intrekt, gevolgd door een schraaplaag die de poriën vult. Dit is de belangrijkste stap en tegelijk de stap die bij haastwerk als eerste sneuvelt.
Het juiste moment kiezen. Werk wanneer de ondergrondtemperatuur gelijk blijft of langzaam daalt, niet wanneer hij oploopt. In de praktijk betekent dat: liever later op de dag dan vroeg in de ochtend in een opwarmende hal.
Ontluchten. Direct na het uitgieten met een prikroller over de laag, in twee richtingen. Te laat prikken helpt niet meer: dan trekt de laag niet meer dicht.
Waarom laagdikte meespeelt
In een dikke laag heeft een luchtbel een langere weg af te leggen en meer tijd nodig. Komt hij pas boven als de hars al begint te geleren, dan blijft het gaatje staan. Aanbrengen in de voorgeschreven laagdikte is dus geen detail.
Herstel
Losse pinholes vult u bij met dezelfde hars. Een vloer die over grote oppervlakken vol zit, kunt u beter licht schuren en van een extra toplaag voorzien; bijwerken van duizend gaatjes wordt nooit mooi.
