Een osmotische blaas zit vol vloeistof en groeit door, een luchtblaas is droog en verandert niet meer. Dat onderscheid is niet academisch: het bepaalt of u een plaatselijke reparatie doet of dat u eerst de vochthuishouding van de hele vloer moet aanpakken.
De prikproef
Snijd een blaas open, op een onopvallende plek. Komt er vocht uit, eventueel onder druk, dan is het osmose. Is de holte droog en ziet u kale ondergrond of een dun laagje, dan is het ingesloten lucht.
Kijk daarna naar de onderkant van het losgekomen stukje. Bij osmose is die vaak verkleurd en voelt hij klam. Bij een luchtblaas is hij schoon en droog.

Waar luchtblaasjes vandaan komen
Uit de ondergrond. Beton en dekvloer zitten vol poriën met lucht. Warmt de ondergrond op terwijl de laag nog nat is, dan zet die lucht uit en zoekt hij een weg naar boven. Onderweg blijft hij steken en vormt een blaasje, of hij komt net door het oppervlak en laat een pinhole achter.
Daarom werkt u bij voorkeur als de ondergrondtemperatuur stabiel is of daalt, nooit als hij oploopt. En daarom is een goede primer met schraaplaag geen luxe: die sluit de poriën af.
Wanneer het tijdstip alles verklapt
Blaasjes die er meteen na uitharden in zitten, komen uit het aanbrengen. Blazen die pas na weken of maanden verschijnen en groter worden, komen van onderaf. Vraag dus altijd na wanneer ze zijn opgemerkt.
Wat u ermee doet
Luchtblaasjes zijn meestal een cosmetisch probleem dat u plaatselijk herstelt: openslijpen, vullen, bijwerken. Osmose is een systeemprobleem en vraagt om meten, de oorzaak wegnemen en opnieuw opbouwen.
