Een hygrometer in een boorgat meet niet het vochtgehalte van het materiaal maar de relatieve vochtigheid van de lucht in de vloer. U boort een gat tot een vastgestelde diepte, plaatst een huls, laat het systeem in evenwicht komen en leest dan de relatieve vochtigheid af. De gedachte erachter: die luchtvochtigheid is in evenwicht met het vocht in het materiaal eromheen, en dat evenwicht is wat uw vloerafwerking straks te verduren krijgt.
Waarom de diepte bepalend is
Meet u te ondiep, dan meet u de droge bovenlaag en krijgt u een te gunstig beeld. De internationaal gehanteerde regel is meten op veertig procent van de dikte bij een vloer die van één kant droogt, en op twintig procent bij een vloer die van twee kanten kan drogen. De Amerikaanse norm ASTM F2170 beschrijft deze methode het meest uitgewerkt.

Waarom het tijd kost
Het boorgat moet in evenwicht komen met het materiaal eromheen. Afhankelijk van de methode en de huls duurt dat van een halve dag tot meerdere dagen. Meteen na het boren aflezen geeft een waarde die niets zegt.
Dat maakt deze methode ongeschikt als u op de dag zelf wilt beslissen, en juist geschikt als u een vloer over langere tijd wilt volgen: u laat de huls zitten en meet opnieuw.
Welke waarden worden genoemd
Voor veel vloerafwerkingen worden grenzen tussen ongeveer 75 en 85 procent relatieve vochtigheid genoemd, waarbij dichte afwerkingen de strengste eis krijgen. Dit zijn gangbare waarden uit de praktijk en de norm. Het zijn geen uitgangspunten voor een Vloersch-systeem. Wat voor uw vloer geldt staat in uw offerte en op het technisch merkblad.
Naast de CM-meting
De twee methoden meten iets anders en zijn niet naar elkaar om te rekenen. In Nederland is de CM-meting gangbaarder, internationaal wint de hygrometermethode terrein. Wordt in een bestek een RV-waarde geëist, dan moet u ook met die methode meten en niet met carbide.
