Bij een destructieve meting haalt u materiaal uit de vloer, bijvoorbeeld door uit te hakken of te boren. Bij een niet-destructieve meting blijft de vloer heel. Destructief geeft een betrouwbaar getal over de werkelijke toestand van het materiaal, niet-destructief geeft een snelle indicatie van het oppervlak en van verschillen.
Waarom destructief betrouwbaarder is
Een vloer is niet homogeen. Bovenin zit een andere vochtigheid dan in de kern, en er kunnen zouten, wapening of grind in zitten die een meting van buitenaf verstoren. Door materiaal weg te nemen meet u het materiaal zelf, op de diepte die u kiest, zonder dat de meting wordt beïnvloed door wat eromheen zit.
De prijs daarvan is een gat in de vloer. Bij een vloer die toch een nieuwe afwerking krijgt is dat geen bezwaar: u repareert het gat mee in de voorbereiding.

Waar niet-destructief sterk in is
Snelheid en dekking. In een grote hal kunt u met een capacitieve meter binnen een uur honderden punten aflopen en zo in kaart brengen waar de vochtige zones liggen. Dat is informatie die u met tien destructieve metingen nooit krijgt.
Zie het niet als een alternatief maar als een voorselectie: eerst scannen, dan gericht bevestigen.
De fout die vaak wordt gemaakt
Een niet-destructieve meting gebruiken als bewijs. Zo'n apparaat geeft vaak een getal met een cijfer achter de komma, en dat suggereert een nauwkeurigheid die er niet is. De waarde is relatief: hij zegt dat deze plek natter is dan die plek, niet dat de vloer op zoveel procent zit.
In een geschil
Komt het tot een discussie over wie verantwoordelijk is voor een losgekomen vloer, dan is een destructieve meting met vastgelegde locatie, datum en meetwaarde wel bruikbaar als bewijs en een schermafdruk van een handmeter niet.
