Een deel van de grondstoffen in een kunstharsvloer kan uit plantaardige bron komen in plaats van uit aardolie. Het gaat om een percentage, niet om alles of niets. Volledig biobased kunstharsvloeren bestaan in de praktijk niet.
Waar het vandaan komt
Plantaardige oliën en afgeleide producten kunnen een deel van de petrochemische bouwstenen vervangen. Bekend is cardanol uit de schil van de cashewnoot, een reststroom uit de voedselketen. Ook gemodificeerde plantaardige oliën worden toegepast.
Die grondstoffen zitten meestal in de harder of in een deel van het bindmiddel. Vandaar dat percentages doorgaans tussen enkele procenten en enkele tientallen procenten liggen.

De vraag die u moet stellen
Niet of het biobased is, maar hoeveel, waarvan en hoe het is vastgesteld. Het biobased koolstofgehalte wordt met genormeerde methoden bepaald en een leverancier die een percentage claimt, kan dat ook onderbouwen.
Let op de grondslag: een percentage van het bindmiddel klinkt veel indrukwekkender dan hetzelfde percentage van het totale product met vulstoffen erbij. Vraag dus waar het percentage op slaat.
Waarom dit niet automatisch beter is
Biobased zegt iets over de herkomst van de grondstof, niet over de milieubelasting van het geheel. Teelt, transport en verwerking tellen ook mee. Het zegt ook niets over de levensduur, en levensduur is bij vloeren veruit de grootste factor.
Een vloer die twintig jaar meegaat is milieutechnisch bijna altijd beter dan een biobased vloer die na acht jaar vervangen moet worden.
Waar u de echte vergelijking vindt
In een milieuproductverklaring, want die rekent de hele levenscyclus door in plaats van één eigenschap. Zie het artikel hieronder.
